Academisch kwartiertje: de Ducha

Via Benedicte, de Deense antropologe, zijn we heel wat te weten gekomen over de Ducha (Tuva of Tsataan). Ducha en Tuva waren eigenlijk eenzelfde etnische groep die vooral leefde in het taiga gebied in het noorden van Mongolie en het zuiden van Rusland. Toen er na de tweede wereldoorlog een grens getrokken werd tussen deze twee landen, werden tal van families uit elkaar getrokken.Ouders die naar het Mongolische deel uitgeweken waren om aan de legerdienst te ontsnappen, werden door de grens afgesneden van hun kinderen die op kostschool zaten in Rusland. Ook nu nog wordt er streng opgetreden als je te dicht bij de Russische grens komt; je wordt gewoon neergeschoten.
Ducha of Tuva zijn vooral bekend om hun rendierkuddes, hun keelzingen en als een van de enige overblijvende haarden van sjamanisme.
De rendieren zijn de afgelopen jaren enorm in aantal afgenomen. Daar waar men vroeger bijna 100 dieren per 'familie' had, heeft men er nu nog maar een tiental. Dit is onder andere te wijten aan de harde winters (1999-2001) en het feit dat ze het gewei van de jonge dieren heel vroeg afsneden en het gebruikte om medicijnen van te maken. Daardoor waren de dieren veel vatbaarder voor ziektes. Opdat de rendieren genoeg zouden kunnen grazen trekken de ducha om de twee weken (soms twee maanden) naar nieuwe gebieden. Ze melken de dieren, eten ervan, maar gebruiken ze ook als pakdieren en transportmiddel. Naast hun kuddes leven ze ook van de jacht en eventueel van fruitpluk. Vruchten op bergen of heuvels, waar er meer geesten zouden kunnen dwalen, worden altijd geplukt door de ouderen. Dat is minder erg als die door de geesten gedood worden... De maaltijden die wij voorgeschoteld kregen bestonden voornamelijk uit rendiermelkthee en rijst met (schapen)vet en 'bakstenen' brood. De ducha zijn ongelooflijk arm en zijn ook zeer vatbaar voor ziektes. Omwille van de rendieren moeten ze in zeer koude gebieden wonen; Benedicte vertelde ons dat toen ze daar was in de winter het -40 graden buiten de tipi en -20 in de tipi was. Om zich te warmen dragen ze, net als de andere Mongolen, 'dels', lange mantels, vaak van vilt of ruw zijde met een gekleurde riem. Ook het vuur in de tipi is een manier om zich te verwarmen. Het staat enorm centraal in hun leven. In het vuur mag er dan ook nooit afval gegooid worden. Rechts van het vuur zitten de familieleden. De linkerkant van de tipi is voorbehouden voor de 'gasten'. Als je je in de tipi wil verplaatsen moet je altijd achter de mensen doorkruipen (wat soms behoorlijk moeilijk en ongemakkelijk kan zijn). De tipi's ingang is altijd naar het zuiden gericht. In het noorlijke deel van de tipi liggen meestal de meest persoonlijke bezittingen van de families, want deze windrichting is voor hen het heiligst.
Het keelzingen is ook zeer kenmerkend voor de ducha. Slechts weinigen hebben deze gave. In onze taiga was er maar een vrouw die het kon en zij lag op sterven, op 55-jarige leeftijd. De gemiddelde Ducha wordt 60 jaar, maar ze zien er gemiddeld 20 jaar ouder uit. De 'oude' vrouw was de echtgenote van het opperhoofd. Ook voor deze familie hadden we een overlevingspakketjesgeschenk meegebracht (bloem, lucifers, ajuinen, wortels en een pen). Geschenken worden altijd met twee handen afgegeven en aanvaard. Als blijk van waardering wordt het geschenk even tegen het voorhoofd gehouden, wat als het heiligste deel van het lichaam wordt beschouwd. Oudere mensen zullen ook vaak aan het voorhoofd van een kind ruiken om het geluk toe te wensen en vooral benadrukken dat het 'zo lelijk als de nacht is', op die manier zullen de geesten het kind zeker niet meenemen. Voor de derde verjaardag van het kind mag het haar ook niet geknipt worden; de ziel die nog in het lichaam ronddwaalt zou immers ook in het haar kunnen zitten.
Labels: Mongoliƫ


0 Comments:
Een reactie posten
<< Home